salvescud

Onze eerste indruk was er een van: "Hier zie je door je oogharen de Romeinen nog lopen" en onmiddelijk voelden we ons op het gemak, maar waarom en hoe dat verder zou gaan na die eerste dagen, dat zou de komende decennia wel blijken. Eerst een stukje uit de krant:

Salvatierra de Tormes, een dorp vol geschiedenis, gedoemd te verdwijnen.

In het jaar 1406 was Infanta Doña Catalina, dochter van Enrique III, de ziekelijke en Catalina van Lancaster, Vrouwe van Salvatierra. Op 17 jarige leeftijd trouwde zij met de infant Enrique van Aragón. Haar huwelijk werd gesloten om rust te brengen in de turbulente infant maar leverde niet veel op want in het jaar van de ondertrouw werd hij gevangen genomen en zijn goederen in beslag genomen omdat hij een laakbaar verbond sloot (ook ongeoorloofde vleselijke gemeenschap!) met de Moorse koning van Granada. De infanta vluchtte naar het koninkrijk Valencia waar ze bleef tot Juan II don Enrique vergaf en hem al zijn goederen terug gaf.
Haar oorsprong is oud, zeer oud. Het is ontstaan als een versterking die lag aan de linkeroever van de Tormes in de hoek die gevormd wordt door het beekje La Silla dat in de Tormes uitkomt. Het feit dat vele natuurstenen graven in de grond langs de oever van de beek te vinden zijn en het bestaan van drie dolmens (hunebed) langs de oever van de rivier (de Prado nuevo, die van Las Navas, en El Turuñuelo) als eerste opgegraven door padre César Moran (1930) en opnieuw onderzocht door Don Manuel Santonja, directeur van het Museo de Salamanca, bewijzen dat er heel vroeger bewoning moet zijn geweest.

Uit de Romeinse tijd was de natuurstenen brug waarvan de pijlers nu verborgen zijn door het stuwmeer van Santa Teresa en uit de tijd der Westgoten de begraafplaats gesitueerd langs de rechteroever van de Silla als ook de fundamenten van de bedevaartskapel van Onze Lieve Vrouwe van Tejares aan de andere oever, waarvan de dubbele deur (tochtportaal) van albast en een wit marmeren relief verwerkt in een raam van de sacristie van de Santa María de Mombiedro. Ook zijn in dit gebied vele leistenen gevonden met inscripties in de vorm van Romeinse cijfers (letters) en cursieve letters. Het omheinde stuk grond van San Juan waar de primitieve versterking zich bevond werd ommuurd nadat het afgegraven werd in 1973 door Don Enrique Cerrilo, van de leerstoel Archeologie van de Universiteit van Salamanca.
Een Romeinse weg, aftakking van de Ruta de la Plata, liep komende uit Calzada de Bèjar over de brug van Salvatierra in de richting van Penãranda de goud- en tin mijn exploitaties passerend, die van zoveel belang waren in de Romeinse tijd.

Enkele passages uit de geschiedenis
Na de inval van de Moren onderging Salvatierra vele gedaanteverwisselingen van het grondgebied omdat het verschillende keren in andere handen viel. Aan het begin van de Reconquista (herovering op de Moren) beleefde het enkele jaren van bijna gehele ontvolking tot Alfonso VI na de herovering van Toledo de graaf Don Ramón van Borgoña, getrouwd met Doña Urraca de opdracht gaf Salamanca en Avila te herbevolken, alsmede het grondgebied en zodoende Salvatierra herbevolkte (als vrijstad) en tevens de muren van de primitieve versterking opnieuw herstelde ter bescherming van de brug over de rivier. Na de dood van Alfons VII werden León, toegewezen aan zijn zoon Fernando II en Castilla dat hij schonk aan Sancho III gescheiden, waardoor Salvatierra op de grens van beide koninkrijken kwam te liggen, waardoor het heel belangrijk werd. In die jaren stichtte Fernando II de Order van de Ridders van Salvatierra die in de loop der tijden opging in die van Alcántara.
De herbevolking en herinstelling van het Bisdom Ciudad Rodrigo door Fernando II nam grond en pachtgeld af van Salamanca en zijn bisdom hetgeen een opstand veroorzaakte van de bewoners van Salamanca tegen de koning, en die resulteerde in een veldslag tussen de troepen van Salmantijnen, geholpen door bewoners van Avila en die van Fernando II aan het eind van de zomer van 1162 bij La Valmuza -waarbij de opstandelingen werden verslagen- op de vlucht gejaagd en waarbij de koning de opstandelingen liet ophangen en onthoofden om een voorbeeld te stellen en te dienen als afschrikmiddel voor de Zamorianen die ook lastig werden omdat ze grond waren kwijt geraakt vanwege het opnieuw bevolken van Ledesma.

De Slag van Salvatierra
Slechts enkele jaren daarna vond de slag van Salvatierra plaats, die sommige verwarren met die van Valmuza, in deze echter werd de ridder uit Avila Nuño Rabía verslagen en gedood. Deze ridder kwam tussen beide in de verovering van de Cuenca door Alfonso VIII en het jaar 1177 samen met Nuño Dávila het hulpleger leidend van Avila. Bij terugkeer in Avila raakte hij, die nogal een onaagenaam baasje was en tevens een ruziezoeker betrokken in verlerlei conflicten waarvoor het gemeentebestuur hem in het gevang gooide. Hij ontsnapte aan de justitie samen met Martín Martinez Malo en verschanste zich in het kasteel van Peñaflor dicht bij El Tejado. Vanwege een tweedracht die ontstond tussen de twee vrienden wilde Martin Martinez op een dag dat hij met Nuñez Rabia ging jagen, bij terugkeer niet meer binnenlaten in het kasteel. Nuñez die vreesde door de justitie van Avila weer in het gevang te zullen worden gezet, maakte zich bij verrassing meester van Puente de Congosto dat ommuurd was en, aan de gemeenteraad van Béjar en Plasencia brieven zond waarin hij de overgave van de stad aanbood in ruil voor bescherming. Zij van Béjar en Plasencia van de gelegenheid gebruik makend dienden zich snel aan. De troepen uit Avila snelden te hulp om hun goed te beschermen en toen de bisschop van Avila Don Domingo Blasco vrede wilde bewerkstelligen kwamen de Bèjaranen en die uit Plasencia hem bedreigen "dat als ze zich op dit moment niet zouden terugtrekken ze hem in zijn tonsuur zouden steken ". De slag leverde uiteindelijk vele doden aan beide kanten op en geen enkel resultaat negatief nog positief. Vervolgens onderwierp Nuñez Rabia, die zijn ernstige fout erkende, aan de Raad van Avila en de bevolking van Puente de Congosto kreeg zijn oorspronkelijke staat terug. Toen Nunõ zich weer met het bestuur had verzoend stelde hij een leger samen en wijdde zich aan het aanvallen van Salmantijns grondgebied, onder het voorwendsel dat degenen die het niet eens waren met koning Fernando II van Leon te helpen. In de buurt van Salvatierra de Tormes (Val de la Matanza) ontmoetten de troepen van hem en die van Fernando elkaar, dat leidde tot een enorme nederlaag waarbij de baas van de troepen van Avila gevangen werd genomen en op het slagveld onthoofd. Weinig medegevoel toonde Salamanca voor diegenen die hem hadden willen helpen (slechts kort ervoor was het afschrikwekkend voorbeeld gesteld van la Valmuza) dat ondervonden ook de vrienden van de dode, die rooftochten organiseerden naar Salmantijns' en Alba de Tormes' grondgebied. De eerste waar we documentatie over hebben is Diego Sánchez, zoon van de infant Sancho Fernandez, zoon van Fernando II de León. Later van de kroonprins Don Pedro, zoon van Alfonso X de Wijze die ook heer was van Ledesma, Alba, Ledesma, Ciudad Rodrigo, Miranda, Galisteo, Granadilla etc. Veel later hebben we Don Fernando, een stiefbroer van Pedro de Wrede. In het jaar 1217 bouwde Alfons X de muren van Monléon en Salvatierra. Die van Salvatierra werden ontworpen in hun huidige vorm, in het westen grenzend aan het oude stuk land (de San Juan Cortinal) van de vroegere versterking. Er waren drie poorten en een geheime deur(?). De poorten waren die bij de rivier, de Caño en Santa Maria (dichtbij de kerk van die naam, waarvan de toren als wachtpost diende voor de poort). Het kasteel kwam achter de muur en werd gebouwd om de weg naar de rivier te bewaken.

De architectuur
De geestelijke orde, het aartspriesterschap Salvatierra voegde de drie kerken Maria de Mombiedro, San Juan en San Martin die waren gegroepeerd in de episcopale orde in het jaar 1517 toen het aantal voertuigen of middelen? (vehículos) verminderde.
De jodenwijk en een synagoge waren met zekerheid te vinden in de nabijheid van het kasteel daar verscheidene joden in dienst waren van de hertog van Alba. De oorlog met Portugal, het instorten van de brug vrijwel zeker tijdens de enorme was van de rivier op de dag van San Policarpo veroorzaakten dat de economie van de stad instortte in het midden van de 16e eeuw, door de wanorde die ontstond doordat de rijkste weiden van Vega nu door de rivier van het dorp gescheiden werden, waardoor alleen in de zomer de karren de rivier konden oversteken.
In 1753 ontstond de graanbeurs (Álhondiga?) om het graan te bewaren van de heerlijkheid en het stadhuis werd in 1757 gebouwd volgens de (lei)steen die zich bevindt in de puntgevel van het gebouw. Het wapenschild van Salvatierra heeft twee kwartieren, het linker staat een kasteel met onderaan de rivier en het rechter deel een stekelvarken en het randschrift: "in mijn (te mijner) nagedachtenis" en mi memoria. De stadsmuren en het kasteel waren al ruines in 1770 zoals Bernardo Dorado schrijft in zijn "Historia de Salamanca".
De bouw van de brug over de Tormes aan het begin van deze eeuw, te danken aan de bemoeienissen van Padre Cámara, bisschop van Salamanca gaf een nieuwe impuls aan de economie van het stadje, nu de weide La Vega aan de rechteroever, die zeer vruchtbaar was weer bewerkt kon worden. Maar de bouw van het stuwmeer van Santa Teresa -die de weiden onder water zette- gaf de genadeslag aan de landbouw economie, zij verplichtte het grootste deel van de bevolking tot emigratie naar de nieuwe bevloeide dorpen.

Tegenwoordig is het enige gebouw van de verschillende met een zekere stijl en grandeur in bouw door de eeuwen heen dat nog bewaard is gebleven en dat enig decorum heeft is, de parochiekerk*. De toren die het oudste deel uitmaakt van de kerk is gebouwd van leisteen en baksteen en heeft de vorm van een pyramide uit het begin van de 12e of 13e eeuw(?). De absis uit de 15e (uit dezelfde tijd als de Toren van Guijuelo en de parochiekerk van Fuenterroble) de zijbeuken werden toegevoegd in de 16e eeuw toen de drie parochies werden samengevoegd. Het altaarstuk van het hoogaltaar in Churrigueresco stijl is uit dezelfde tijd als dat van de San Esteban in Salamanca en is goed bewaard gebleven met het originele verguldsel, in het midden het beeld van Onze Lieve Vrouwe ten Hemel-Opneming van mooi beeldhouwwerk met de heilige Petrus en Paulus in de nissen. De rest van de altaren verkeert in slechte staat, behalve dat van de Heilige Martinus en de Drie-eenheid met een noemenswaardig barok schilderij van Alonso Antonio de Villamor. De preekstoel van smeedijzer is een mooi stuk werk. Wat het orgel betreft, barok, bevindt zich in slechte staat van onderhoud, want enige jaren geleden hebben enkele franse orgelbouwers enige delen gedemonteerd en sindsdien is er niets meer van hen vernomen.
De sacristie bewaart een een ladenkast van notenhout dat zeer mooi is. Er zijn een serie kazuifels een regenmantel en mangas (geborduurd stuk aan processiekruis) in voorname florentijnse stijl. Stukken uit de 16e eeuw. Een zilveren tabernakel met engeltjes van verguld zilver erop en de monstrans van goud van een Salmantijnse werkplaats uit de 18e eeuw is alles wat er over is van de rijkdommen van de kerk. Hierin bevindt zich de Christus van San Martin, voornaam beeld uit de Castillanse school met het polychroom erop nog in originele staat dat veel devotie genoot in het stadje.

*) in 2005 hebben we de inventaris van de kerk afgerond en in een boekwerkje samengevat.

item2a1e4
salvescud